Stellingen: 10 werkwijzen

kaartjes ophoog houden
kaartjes ophoog houden

“Het is een vrij land, mevrouw” en “Ik moet zelf weten wat ik vind” en “Vrijheid van meningsuiting!” zomaar wat kreten die leerlingen/studenten roepen wanneer ze hun ongezouten mening geven over iets. Werken met stellingen in de klas kan polariserend werken. Een goed bedoelde les om leerlingen/studenten aan het denken te zetten kan juist ontaarden in het vergroten van tegenstellingen.
Het is belangrijk dat discussies worden gevoerd maar het moet op een respectvolle wijze gebeuren. Zeker wanneer opvattingen botsen moet de school een (veilige) oefenplaats zijn.

In een veilig sociaal klimaat in de klas wordt niemand afgerekend op datgene wat ze zeggen, niet door medeleerlingen/medestudenten en niet door de docent. In een democratie is ruimte voor verschillen van opvatting. Op school leren leerlingen/studenten ook dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting. Wat voor de ene leerling/student veilig is kan bij anderen een gevoel van onveiligheid veroorzaken. Iedereen heeft recht op een eigen mening maar het is niet nodig om daar ook altijd mee te komen. De rol van de leraar is daarbij cruciaal en helemaal niet gemakkelijk. Deze moet letten op de manier waarop er gediscussieerd wordt, of verschillende perspectieven voldoende aan de orde komen en of het gesprek niet leidt tot ‘wij-zij-denken’.

Verder lezen:

https://www.mo.be/analyse/je-moet-jongeren-niet-verwijten-wat-we-zelf-niet-opgelost-krijgen
https://www.schoolenveiligheid.nl/thema/spanning-en-discussie-vo/#over-spanning-en-discussie
https://euroguide-toolkit.eu/wp-content/uploads/2021/05/Flanders-Living-Together.pdf

Werkwijze 1: 
‘Over de streep light’

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Voor deze werkwijze is veel ruimte nodig want hierbij komen leerlingen/studenten letterlijk in beweging.
  • Er worden steeds stellingen voorgelezen. Groepsleden die het eens zijn met de stelling gaan naar rechts, degenen die het er niet eens zijn gaan links staan. In het midden mag (nog) niet.
  • Dan gaan groepsleden proberen met argumenten leerlingen/studenten laten wisselen van kant.
  • Wanneer iemand een nuance aanbrengt mag iedereen die dit goed vindt een stap naar het midden zetten.
  • Hou vaart in het ‘spel’ en zorg ervoor dat iedereen een inbreng heeft.
  • Leg uit aan leerlingen/studenten dat de keuze voor of tegen een stelling vaak moeilijk kan zijn. Zeg dat het niet erg is om van gedachten te veranderen. Nadenken is in essentie van gedachten veranderen…

TIP:
Soms hebben jongeren de neiging om aan één kant te blijven staan. Laat leerlingen/studenten bij de eerste stelling kiezen voor links of rechts gaan staan. Wanneer de volgende stelling aan de beurt is moeten ze niet rechts of links gaan staan maar aan voor- of achterzijde van de ruimte. Er zijn dan niet twee maar vier kanten waar leerlingen naar toe kunnen lopen. Ervaring leert dat wanneer leerlingen/studenten sowieso in beweging moeten komen ze ook eerder geneigd zijn écht te kiezen.





Variatie Werkwijze 1: 
‘Over de streep light’

  • Werk op dezelfde manier als bij werkwijze 1, alleen laat je nu leerlingen/studenten niet zelf voor of tegen een stelling kiezen maar je verdeelt ze in twee groepen. Een groep is vóór en de andere groep is tegen de stelling.
  • Laat leerlingen/studenten argumenten bedenken voor een stelling waar ze wellicht helemaal niet achter staan. Zo worden ze bewust van het feit dat je een stelling van twee kanten kunt bekijken.
  • Maak de groepen steeds anders van samenstelling en zorg voor inbreng van iedereen.

Werkwijze 2: 
Voor of tegen

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verder nodig: voor elke leerling/student een rood en een groen kaartje.
  • Geef alle leerlingen/studenten een rood en een groen kaartje.
  • De begeleider leest de stellingen een voor een voor en de leerlingen/studenten geven aan of ze het ermee eens zijn (door het opsteken van een groen kaartje) of dat ze het er niet mee eens zijn (rood kaartje).
  • Na iedere stelling kunnen een aantal argumenten voor of tegen de stelling worden uitgewisseld.
  • Kijk na het bespreken van de stelling of er leerlingen zijn die van gedachten zijn veranderd.
  • De begeleider leidt de discussie.

Variatie Werkwijze 3: 
Voor of tegen in groepjes

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verder nodig: voor elke groepje een rood, een groen en een wit vel papier.
  • Verdeel de klas in groepjes van drie of vier leerlingen/studenten.
  • ieder groepje krijgt een aantal stellingen en een rood, een groen en een wit vel papier.
  • Leerlingen/studenten lezen de stellingen door en beslissen welke afgewezen worden en op een rood vel terecht komen.
  • De stellingen waar men het mee eens kan zijn komen op een groen vel en die waarover men twijfelt op een wit papier.
  • Leerlingen/studenten bespreken nogmaals de gemaakte keuzes en leggen de kaartjes op het rode, groene of witte vel.
  • Bespreek de gemaakte keuzes klassikaal.

Werkwijze 4: 
Argumenteren

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verder nodig: groot vel papier (flap).
  • Verdeel de groep in twee- of drietallen.
  • De stellingen worden voorgelezen
  • Leerlingen/studenten gaan in hun groepje overleggen en vervolgens naar aanleiding van de stelling een argument voor of tegen bedenken.
  • Dit wordt in een hele zin op een Post-it genoteerd.
  • De Post-its worden op een gezamenlijke flap geplakt.
  • Bespreek na afloop opvallende uitspraken in de groep:
    • Welke thema’s keren steeds weer terug in het groepsgessprek?
    • Zijn er overeenkomsten? Verschillen? Nuances?
    • Wat zijn sterke argumenten? Wat maakt deze sterk?
  • Aanvullende opdracht: maak eigen stellingen en wissel deze uit.

Werkwijze 5: 
Kringgesprek

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Leg de kaarten open op een paar aan elkaar geschoven tafels en zet leerlingen/studenten er in een grote kring omheen.
  • Leerlingen/studenten kiezen allemaal een stelling.
  • In een kringgesprek vertelt elke leerling om de beurt waarom juist voor deze kaart is gekozen.
  • Is dit voor jou klas nog te moeilijk dan kun je ervoor kiezen om eerst in tweetallen leerlingen/studenten laten bespreken welke kaart ze hebben gekozen en waarom.
  • Het uitkiezen van de kaarten kun je leerlingen/studenten individueel in stilte laten doen of juist in overleg in een tweetal of in een klein groepje.

Werkwijze 6: 
Verhaaltje

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verder nodig: voor ieder tweetal een leeg A-viertje.
  • Verdeel de klas in tweetallen.
  • Laat ieder tweetal een stelling kiezen.
  • Leerlingen/studenten gaan samen een kort verhaaltje schrijven naar aanleiding van de stelling.
  • De verhaaltjes worden voorgelezen.
  • Vragen voor nabespreking:
    • Wat heeft het groepje leerlingen/studenten goed gedaan?
    • Wat heeft dit verhaaltje ons willen zeggen?
    • Was wat er gebeurde herkenbaar?

Werkwijze 7: 
Rollenspel

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Laat leerlingen/studenten in tweetallen of kleine groepjes twee of drie stellingen uitkiezen.
  • Ze moeten nu met behulp van de stelling een klein verhaaltje bedenken en dat ook uitspelen.
  • Iedere scene heeft een begin, een midden en een duidelijk einde.
  • Vertel vooraf dat de scenes worden nabesproken en welke vragen er dan gesteld worden.
  • Geef ze niet te lang de tijd om te bedenken en te repeteren: vijf tot tien minuten is voldoende. Dit maakt de presentatie achteraf ‘veiliger’.
  • Vertel leerlingen/studenten dat in een theatervoorstelling eindeloos geoefend wordt. Dus als het resultaat minder geslaagd is dan leerlingen/studenten vooraf hoopten, ligt het vooral daaraan.
  • Aan elkaar presenteren en nabespreken.
  • Vragen voor nabespreking:
    • Wat heeft het groepje leerlingen/studenten goed gedaan?
    • Wat heeft deze scene ons willen zeggen?
    • Was wat er gebeurde herkenbaar?

Werkwijze 8: 
Placemat

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verdeel de klas in viertallen.
  • Verder nodig: groot vel papier (A-3 formaat) voor elk groepje.








  • Teken in het midden van ieder vel een rechthoek en trek vanuit iedere hoek van het vel een lijn naar een hoek van de rechthoek.
  • Geef ieder groepje een stelling of laat ze zelf een stelling kiezen.
  • Alle leerlingen/studenten schrijven (in stilte) in hun eigen vak een reactie op de stelling met eigen standpunten en argumenten.
  • Wanneer iedereen klaar is volgt tussen de vier leerlingen/studenten een groepsgesprek over de stelling en hetgeen wat ze hebben opgeschreven.
  • Het is de bedoeling dat ze in het middelste vak een gezamenlijk standpunt opschrijven waar iedereen het wel mee eens kan zijn.
  • De vellen ophalen en ophangen.
  • Klassikaal de opbrengsten bespreken

Werkwijze 9:
Woord-web

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Verdeel de klas in viertallen.
  • Verder nodig: groot vel papier (A-3 formaat) voor elk groepje.
  • Teken in het midden van ieder vel een cirkel.
  • Geef ieder groepje een stelling of laat ze zelf een stelling kiezen.
  • Leerlingen/studenten schrijven in de cirkel de stelling over
  • Vervolgens gaan leerlingen/studenten associëren naar aanleiding van de stelling in de vorm van een woord-web.
  • In het groepje wordt gepraat over de verschillende bijdragen en worden eventueel nog aanvullingen/verduidelijkingen gemaakt.
  • De vellen ophalen en ophangen.
  • Klassikaal de opbrengsten bespreken.

Werkwijze 10:
Gedicht

  • Kies van tevoren de stellingen waarmee je in deze klas wil werken.
  • Leg de stellingenkaarten waarmee je wil werken open op een tafel.
  • Laat leerlingen/studenten in tweetallen of individueel een stelling kiezen om een gedichtje over te maken in de vorm van een ‘Elfje’ of een ‘Haiku’.
    • Elfje: gedicht bestaande uit elf woorden, eerste regel 1 woord, tweede regel heeft 2 woorden, de derde regel heeft 3 woorden, de vierde regel heeft 4 woorden en de vijfde regel heeft weer 1 woord. Dat laatste woord moet bij voorkeur het hele gedichtje samenvatten.
    • Haiku: gedicht dat bestaat uit drie regels met 17 lettergrepen. Eerste regel heeft 5 lettergrepen, de tweede regel heeft er 7 en de derde heeft weer 5 lettergrepen.
    • De gedichtjes hoeven niet te ‘rijmen’.
  • Geef leerlingen/studenten even de tijd om iets te maken. Laat leerlingen/studenten elkaar helpen.
  • Laat leerlingen/studenten (die dat willen) hun gedichtje voorlezen.
  • Bespreek klassikaal na:
    • Wat maakt dit gedichtje mooi?
    • Wat maakt dit gedichtje krachtig?
    • Wat wordt er eigenlijk gezegd?
  • Plak de gedichtjes op een groot vel en hang het in het lokaal.
  • Is wat er gezegd wordt in het gedichtje herkenbaar?

Werken aan een veilig pedagogisch klimaat? Dat kan met ‘GroepsGedoe 2.0’

De groepsdynamiek positief beïnvloeden? Dat kan met ‘Complimentenmemory’